vrijdag 21 augustus 2020

VLECHTKAARTEN

 


 

Nodig:

Vlechtstroken of dubbelzijdig gekleurd origami papier

Vlechtnaald, knipvel wilde dieren (Marij Rahder)

Patroon met uitgesneden lijnen (Stans, of zelf snijden)

Dubbelzijdig tape en plakband, schaar

Vierkante kaart

Eventueel karton, prikpen en mini splitpennen.

 

Werkwijze:

Plak op de achterkant van het vlechtpatroon 2 dunne stroken dubbelzijdig plakband.

Klem 1 strook in de vlechtnaald, en vlecht door de lijnen van het patroon (begin onder, en ga naar boven enz

Aan begin en eind een stukje overlaten, om vast te plakken.

De 2e rij: begin boven, je rijgt dus net in de andere lijnen.   Zie foto 's

 

 

Ga zo verder tot de laatste strook.

Draai het patroon om, plak de stroken vast, en knip de uitstekende delen weg.

Plak achtergrondpapier op de kaart, plak er het vlechtpatroon op, met dikke tape (alleen de onderkant)

Knip de dieren uit, en plak ze in de ‘kar”

NB: plak voor stevigheid de dieren eerst op stukjes wit 160 grams papier.

Staarten kun je vastplakken, maar je kunt ook mini splitpennen gebruiken, dan kunnen de de staarten bewegen.

Prik de gaatjes met een prikpen.

Plak de wielen op.

NB: in plaats van dunne vlechtstroken kun je ook dubbelzijdig  gekleurd origami papier gebruiken.

Knip strookjes van 1 of ½ cm, en vlecht ze door het patroon.

 

maandag 17 augustus 2020

Parapluutje…parasolletje..



Parapluutje…parasolletje.. de ene voor de regen en de ander voor de zon!!!
          



  ontwerp Zsuzsanna Kricskovics




 



Nodig: Parapluutje 1 vel origamipapier Cube 15 x 15 cm. (1811) 1 satéprikker en een houten kraaltje.
Parasolletje: 1 vel origamipapier roosjes 15 x 15 cm.(1816) en een rietje.
Werkwijze:
  1. Snijd het papier in 4 delen van 7,5 x 7,5 cm. Vouw de diagonalen.
  2. Vouw de zijkanten naar het midden.
  3. Maak links en rechts een spreidvouw.
  4. Vouw 2 hoekjes om.
  5. Vouw het linkerdeel op het middendeel.
  6. En vouw het op de helft weer terug.
  7. Herhaal stap 5 en 6.
  8. Vouw het geheel naar achteren dubbel.
  9. Vouw nog 3 segmenten.
  10. Leg de segmenten open voor je neer, elk segment bestaat uit 3 delen. Plak deel 1 vast aan deel 3 van het 2e segment.
  11. Herhaal dit met de andere segmenten, en sluit het laatste segment aan het 1ste segment.
  12.  Haal er een stokje(parapluutje) of rietje (parasolletje) door.  Het parasolletje kun je in een glaasje limonade zetten, of in een ijsje prikken.

zondag 2 augustus 2020

Fredje vouwbeen deel 6





 Al snel valt Fredje in slaap. Hij droomt van de varkens, de knikkerende kinderen en de waterval.
De volgende morgen rekt hij zich eerst eens flink uit.
Hij kijkt naar zijn bootje, nee die kan hij niet meer gebruiken, er is een lek ingeslagen.
Jammer, maar misschien ook wel goed.
Want hij heeft nog wel de schrik in zijn benen, van zijn avontuur op het water.

Hij zit dicht aan de waterkant, het water is nu weer heel rustig. Het kabbelt lekker aan zijn voetjes.
Fredje doet zijn sokken en schoenen uit, en plenst met zijn voetjes in het water.
Lekker, de spetters vliegen om zijn oren.
Fredje lacht, en hij plenst nog harder.
Opeens springt er met een grote sprong iets groens uit het water. En het roept tegelijkertijd: kwaak kwaak.
Hee kikker roept Fredje.
Maar de kikker zegt niets terug tegen Fredje.
Hij springt steeds op en neer. En hij blijft maar kwaken.
Jammer genoeg kan Fredje ‘m niet verstaan.  
Dan ineens plons!!!  en weg is de kikker.
Fredje trekt zijn sokken en schoenen weer aan, pakt zijn spulletjes bij elkaar, en gaat weer op weg.
Vrolijk zijn deuntje fluitend.
.Opeens wordt het wat donker om hem heen.
Gaat het regenen? Of onweren?
Nee hij loopt door het bos.
Vogels en eekhoorns springen van boom tot boom.
Overal liggen bladeren en takken.
Maar wat is dat?
Het is net of hij gezang hoort. In het bos?
Gauw verschuilt hij zich achter een boom. He wat grappig.
Een heleboel rondspringende mannetjes.
En ze zijn net zo groot als hij .
Ze hebben allemaal een lange baard en een mooie puntmuts.  Voorzichtig loopt Fredje naar ze toe.
Verbaasd blijven ze staan.  Wordt vervolgd….











 


1.  Waarom kan Fredje het bootje niet meer gebruiken?

A.  Hij vindt ‘m niet mooi meer
B.  De boot is helemaal nat
C.  Er is een lek ingeslagen
D. Hij wil niet meer op het water

2.  Waarom doet Fredje zijn schoenen en sokken uit?

A  Hij plenst met zijn voeten in het water
B. de schoenen en sokken zijn nat.
C. hij wil lopen door het water
D. hij wil gaan slapen

3.  Waarom zegt de kikker niks terug?

A.  De kikker hoort Fredje niet.
B.  Een kikker kan alleen maar kwaken.
C.  De kikker is bang voor Fredje
D. De kikker kwaakt zo hard, dat hij Fredje niet hoort.


4.  Waarom wordt het zo donker?

A: Het wordt avond
B: het gaat heel hard regenen
C: hij loopt door hoge struiken
D: Hij loopt door het bos